Van Rijksacademie tot verfsoorten. Opleiding en materialen van de monumentale kunstschilder

Verslag van de lezing door Rutger Morelissen (Onderzoeker RCE) voor het kleurhistorisch platform over op 11 oktober 2018.

 

Een deelonderzoek van het project Leren van Restauratieve ingrepen aan moderne muurschilderingen richtte zich op het materiaalgebruik van de kunstenaars. Wat kregen de monumentaal kunstenaars tijdens hun opleiding mee aan kennis van materialen en technieken en welke materialen zijn er gebruikt voor muurschilderingen in Nederland?

 

De studierichting aan de Rijksacademie (1918-1986)

De studierichting Monumentale Kunst aan de Rijksacademie is in meerdere opzichten van grote invloed op de monumentale kunst in ons land. Het is de oudste opleiding monumentale kunst in Nederland. Het was ook de enige hogere opleiding (Hoger Beroeps Onderwijs) tot ca. 1967. De opleiding was van invloed op die van andere academies. De leerlingen werden er onderwezen in verschillende technieken: schilderen, mozaïek, sgraffito, glaskunst etc.

De Rijksacademie, heeft tot gedurende de twintigste eeuw als hoofdgebouw Stadhouderskade 86; de studierichting Monumentale kunst is vanaf eind jaren 1960 gevestigd in de dependance aan de Stadhouderskade 60.

 

Overzicht hoogleraren en relevante docenten studierichting Monumentale kunst, Rijksacademie:

 

  • 1918-1934 Richard Roland Holst (Amsterdam 1868 – Bloemendaal 1938)
  • 1935-1956 Heinrich Campendonk (Krefeld (D) 1889 – Amsterdam 1957)
  • 1956-1966 Walter Clénin (Tschugg (CH) 1897 – Ligerz (CH) 1988)
  • 1967-1972 Willem Thijs (Tilburg 1932 – Purmerend 2016)
  • 1972-1985 Harry op de Laak (Venlo 1925 – Horn 2012)

 

  • 1921-1940 lector Georg Rueter (verving Roland Holst in 1934 – 1935)
  • 1946-1971 lector Huub Loontjens (Maastricht 1906 – Amsterdam 1979)

 

De bewaard gebleven lesprogramma’s van deze studierichting geven een beperkt beeld van de inhoud van de opleiding. Gedurende de jaren 1930 bestond deze (net als de meeste andere studierichtingen) uit twee klassen (maar hoe lang een klasse duurde wordt niet duidelijk) en de leerlingen hadden verschillende vakken: onder andere compositie-oefeningen, schilderen, tekenen en ‘oefeningen in verschillende technieken’. Het lesprogramma uit 1969 is aanzienlijk uitgebreider en vermeldt: ‘het bouwen van een maquette, gedachtewisseling met opdrachtgever en architect’ en onderzoek onder leiding van specialisten naar ‘technieken en materialen als schilder-, mozaïek- en glastechnieken, bouwkeramiek en reliëf in hout, steen, beton, aluminium.’ Nadere informatie over de inhoud van de lessen is uiterst schaars. Een uitzondering vormt de syllabus ‘Materialenkennis’ van Lector Huub Loontjens. Hierin worden tamelijk gedetailleerd materialen en technieken beschreven en worden ook recepten gegeven, met name van de meer traditionele verfsoorten. Maar ook modernere materialen worden in de syllabus behandeld. Dit geeft daarom een vrij goed beeld van de ‘bagage’ die de kunstenaar meenam van deze opleiding.

 

Verfsoorten muurschilderingen

Recent onderzoek aan twintigste-eeuwse schilderijen heeft aangetoond dat veel kunstenaars voor (vooral grotere doeken) fabrieksmatige muurverf gebruikten. Uit ons onderzoek blijkt dat ook een deel van de monumentaal kunstenaars deze moderne muurverf gingen gebruiken voor muurschilderingen. Overigens bleef men ook de meer traditionele gebruiken. Voor dit onderzoek maakten we gebruik van een breed scala aan bronnen:

  • Eeuwenlang maakten kunstenaars zelf hun : ze maalden hun pigmenten, bereidden hun olie (of andere bindmiddelen) en mengden dit tot een . In de 19e eeuw, tijd van industrialisatie, kwam hierin verandering. In deze eeuw werden voor het eerst verven industrieel vervaardigd en kant en klaar (in tube of pot) of als halfproduct (gemalen pigmenten en bindmiddel) verkocht. Deze halfproducten konden veelal door de lokale drogist tot een vermengd worden. Ook werden veel nieuwe synthetische pigmenten uitgevonden en verwerkt in verven. Vanaf het eind van de eeuw, maar vooral gedurende de twintigste eeuw, werden verschillende kunstharsen ontwikkeld voor allerlei toepassingen en vooral na 1950 toegepast als bindmiddel voor verven (polyvinylacetaat (PVAc), acryl, alkydhars). De nieuwe verven waren doorgaans niet speciaal als kunstenaarsverf bedoeld, maar sommige kunstenaars gingen er al vroeg mee experimenteren. Een voorbeeld is op basis van cellulosenitraat, ontwikkeld voor de auto-industrie rond 1925. In de jaren 1930 ging de Mexicaanse kunstenaar David Alfaro Siqueiros experimenteren met deze voor zijn muurschilderingen. De is niet goed met de kwast te gebruiken, maar wel te spuiten. Street Art-kunstenaars gebruiken nog steeds deze .
  • eigentijdse publicaties voor en door kunstenaars (handboeken en dergelijke)
  • publicaties van de verfindustrie
  • recente onderzoeken aan moderne verven
  • Referentiecollectie RCE
  • Onderzoeksrapporten RCE (en voorgangers)

 

Verffabrieken in Nederland

Veel van de ontwikkelingen rond nieuwe verven vonden in het buitenland plaats, maar Nederland speelde een belangrijke rol in verfindustrie en kunstenaarsverven. De Hilversumse verffabriek Ripolin maakte ca. 1890 de eerste strijkklare, hoogglanzende gekleurde olieverf.. Een aantal vermaarde kunstenaars hebben deze Nederlandse verf gebruikt, o.a. Picasso (vanaf 1912), Picabia (jaren 1920) en Miro (jaren 1930)… Talens bracht in 1899 de Rembrandt-olieverven op de markt, speciaal voor kunstenaars. Ook deze werden veelvuldig in binnen- en buitenland gebruikt.


Vanaf de jaren 1930 bracht Talens ETA-verf uit, een verf op basis van caseïne-emulsie met olie, vooral bedoeld voor theaterdecors en etalages. Deze verf, in veel kleuren leverbaar werd ook gebruikt door kunstenaars, bijvoorbeeld de muurschildering Lex Metz in de voormalige Bloedtransfusiedienst (thans Sanquin) in Amsterdam. Ook Sikkens maakte verschillende muurverven, nadat zij Alpha hadden overgenomen.

 

Niet alle verven zijn geschikt voor muurschilderingen, maar veel ervan wel. Dan zijn grotere verpakkingen (geen tubes, maar potten) aan de orde. Voordelen van fabrieksverf zijn:

  • Minder werk voor de kunstenaar
  • Makkelijker te bewaren
  • Standaard kwaliteit

 

Standaardkleuren

Ondanks de mogelijkheden van fabrieksmatige muurverven bleven sommige kunstenaars zelf hun verf maken om alles zelf in de hand te hebben. Ook prefereerden sommige kunstenaars de traditionele verfsoorten terwijl anderen juist gingen experimenteren met nieuwe verfsoorten. In sommige gevallen mengden zij de standaardkleuren bij.

 

Halfproducten ((losse- en in olie gewreven) pigmenten, bindmiddelen, vulmiddelen, verdunningsmiddelen etc.) waren ook op de markt, blijkens de syllabus van Loontjens en de monsterkist van Sikkens uit 1947.

 

Kortom, de monumentaal kunstenaar kreeg gedurende de twintigste uit steeds meer materialen kiezen voor zijn/haar muurschilderingen.

 

Beknopt overzicht van de belangrijkste verfsoorten voor muurschilderingen

Verven voor 1940:

Verven op basis van:

  • Olie
  • Kalk (Fresco, secco)
  • Lijm
  • Tempera
  • Minerale bindmiddelen (silicaat)
  • Cellulose

 

Na 1940 kwamen daar nog bij:

Verven op basis van:

  • Alkyd
  • Pvac
  • Acrylaat
  • Cement
  • (kunst-)rubber
Conclusie

De resultaten van het onderzoek zullen worden gepubliceerd in een brochure bestemd voor eigenaren en beheerders en een meer gedetailleerde e-publicatie voor restauratoren en onderzoekers. Van iedere verfsoort wordt de geschiedenis, samenstelling en mogelijke varianten beschreven.

 

De casestudies binnen ons project leverden nuttige aanvullende inzichten op. In sommige gevallen blijkt de gebruikte verf van een bepaalde schildering te zijn gedocumenteerd of (ofwel door de kunstenaar, ofwel door een betrokken partij) of anderszins te achterhalen (interviewen van betrokkenen). In veel gevallen zijn tests of analyses nodig. Behalve de materialen in de oorspronkelijke schildering, is er in veel gevallen sprake van latere ingrepen, meestal in een andere verfsoort (met andere samenstelling en eigenschappen).

 

 

Gedurende de twintigste eeuw ontstond een breed scala aan verfsoorten die gebruikt zijn voor muurschilderingen. Oudere verfsoorten bleven gehandhaafd naast de nieuwere. Een breed scala aan verven met heel verschillende samenstellingen en eigenschappen. Voor het bepalen van de juiste restauratieve ingrepen is onderzoek naar de gebruikte verfsoort van belang.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *