Koolteer als bestanddeel van 19de-eeuwse interieurverven

Koolteer was één van de onderwerpen die behandeld werden tijdens het Kleurhistorisch Platform over Historische Pigmenten op 9 februari 2012. Annemieke Heuft ging in op haar Masterscriptie ‘Koolteer voor de schilder: een materiaaltechnische studie van een 19e-eeuwse koolteerverf op de in de Westerkerk in Enkhuizen’ (2011). Hieronder kunt u de samenvatting van haar scriptie lezen, die opgenomen in de bibliotheek van de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed.

 
In februari 2011 werd de restauratie van het grote orgel in de Westerkerk in Enkhuizen afgerond. Tijdens het dat op de houten orgelkas was uitgevoerd, werd duidelijk dat er nog resten van de originele afwerking uit 1549 en een 17e-eeuwse decoratieve beschildering onder de uit 1838 stammende zwart met gouden afwerking bewaard gebleven zijn. De zwarte verf op de orgelkas werd geanalyseerd en bleek te zijn samengesteld uit koolteer in lijnolie en colofonium.
 
Voortbouwend op het restauratieproject is deze scriptie een onderzoek naar deze koolteerverf en naar de materiaaltechnische en gebruikshistorische context van het materiaal door huis- en meubelschilders in de 19e eeuw. Koolteer valt onder de „bitumineuze materialen‟ en wordt in verband gebracht met asfalt. Het werd sinds de 18e eeuw gewonnen als bijproduct in de bereiding van cokes uit steenkool. Met een bestudering van 18e-, 19e- en vroeg 20e-eeuwse hand- en receptenboeken voor huis- en meubelschilders is gebleken dat de bitumineuze materialen asfalt, teer en pek gebruikt werden in moffellakken, vernissen en lakverven voor diverse objecten. Koolteer werd ook veel gebruikt voor het waterbestendig maken van hout, voornamelijk in de scheepsbouw. Koolteer werd door zijn grote beschikbaarheid veel verkocht als goedkope vervanger van het natuurlijke asfalt uit het middenoosten. Dit heeft gevolgen gehad voor de verven die met het materiaal werden gemaakt. Door natuurwetenschappelijk onderzoek wordt aangenomen dat koolteer een nog grotere invloed heeft op de droging van lijnolie dan asfalt en dat koolteerverven zeer langzaam of zelfs nooit drogen. De koolteerverf op de orgelkas in Enkhuizen is relatief goed bewaard gebleven, hoewel de slechte droging gezorgd heeft voor krimpscheuren in de vergulde decoraties op het zwart.
 
Een reden voor de keuze voor koolteer op de orgelkas in Enkhuizen kon niet met zekerheid worden vastgesteld, maar het is het meest waarschijnlijk dat het gerelateerd is aan de diepe kleur en zachte glans van het materiaal. Ondanks dat er uit de historische bronnen is gebleken dat bitumineuze materialen vaker als verfingrediënt werden gebruikt op ook andere objecten dan schilderijen, zijn er vooralsnog in de praktijk en de ervaringen van vele restauratoren en onderzoekers geen andere vergelijkbare afwerkingen gevonden. Dit komt wellicht doordat andere dergelijke objecten niet bewaard zijn gebleven, of dat het materiaal nog niet eerder in een zwarte verf is geïdentificeerd. De kleur zwart werd rond de periode van de overschildering van de orgelkas toegepast in interieurs op elementen van de houten betimmering, vaak als imitatie van oosters lakwerk. In de meubelkunst van de 19e eeuw werd de kleur ook gezien als voornaam en deftig.
 
In de Nederlandse orgelbouw is deze zwarte kleur vooral populair geweest in de conservatievere orgelstijl en toegepast door enkele orgelbouwers in de hervormde gemeenten van de provincies Groningen, Friesland en de kop van Noord-Holland. Mogelijk kan het gebruik van koolteer in verband worden gebracht met de in deze regio’s aanwezige scheepsbouw of met een traditioneel verfrecept van de schilder of orgelbouwer. Verder onderzoek is echter nodig om deze hypothesen te kunnen ondersteunen.
 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *