Het vakmanschap van de schilder vroeger en nu

Hoe verloopt de ontwikkeling van de schildersopleiding en de zogenaamde ’restauratietechnieken‘, waar imitatietechnieken onderdeel van zijn? Wat leerde de schilder vroeger en wat leert de schilder nu? Van oudsher zijn er verschillende scholen, met ieder een eigen schilderstijl. Welke opleidingen zijn er tegenwoordig en wat leer je daar? Wat gebeurt er in het traject erna?
 
Naar aanleiding van deze vragen hield Anton van Wezep (voorzitter Studieclub Schilders) een presentatie op het Kleurhistorisch Platform van 8 oktober 2015 over Imiteren van imitaties.
 

Verslag door Renate Oosterloo en Vera Tolstoj (Masterstudenten van de opleiding Conservering en Restauratie aan de Universiteit van Amsterdam)

 
Hoe bereik je vakmanschap
 
De presentatie van Van Wezep besloeg in wezen een beknopte geschiedenis van het schildersonderwijs van ca. 1000 na Chr. tot de huidige situatie, waarbij hij per periode de karakteristieke sociale en/of educatieve kernpunten benoemde en toelichtte. Van Wezep beschreef in het begin van zijn lezing de verschillende stappen van het leerproces tot aan het vakmanschap, en wijdde uit over de techniek, kennis, vaardigheid en ervaring die daarbij komen kijken.
 
Atelieronderwijs en het Gildensysteem
 
Daarna beschreef de heer Van Wezep de vakmanschapsgeschiedenis en het leerstelsel/hiërarchie in de eeuwen tussen 1000 en 1800. In deze periode gold het gildensysteem. Het beklimmen van de meesterschapsladder begon bij de leerlingen, waarna men opklom tot gezel en uiteindelijk tot meester. Kennis werd mondeling overgedragen en via praktijk opgedaan. Kennisoverdracht gebeurde zeer plaatselijk, namelijk in het atelier van een meester, en werd intern gehouden van generatie tot generatie. Het St. Lucasgilde, gevestigd in Amsterdam, was één van de voornaamste schildersgilden.
 
Periode zonder beroepsonderwijs
 
Volgens Van Wezep was de 19e eeuw de eeuw van verval en was er tot het einde van deze eeuw geen beroepsonderwijs op het gebied van het schilderen. Van Wezep beschreef een tijdsperiode waarin een sociaal onrechtvaardige maatschappij ervoor zorgde dat de gilden werden afgeschaft, in navolging van de ideologieën afkomstig uit de Franse revolutie. Hiërarchie zoals die door en in de gilden bestond werd afgeschaft, omdat deze als sociaal ongelijk zou worden beschouwd.
 
Aanbod van basisvaardigheden op vakscholen en uit vakboeken (eind 19e eeuw-1945)
 
Aan het einde van de 19e eeuw kwamen vakscholen weer in opkomst. Van Wezep noemt als voornaamste voorbeeld de zogenaamde “teekenscholen” die in de avond werden georganiseerd. Daarin werden lessen in decoratieve en bouwkundige tekenvaardigheid gegeven en werd vakkennis overgedragen. In deze periode ontstonden op grote schaal vakboeken en leesbare documenten, waarin vakkennis van meerdere mensen werden gebundeld. Als voorbeeld noemt hij Van de Burgs “Hout- en marmerimitatie”, dat werd uitgegeven aan het einde van de 19e eeuw.
 
Na deze periode kwamen de ambachtsscholen op in grote steden, waar nadruk lag op de praktische (basisvaardigheden). Meestal waren dit tweejarige opleidingen. Op het platteland behield men het zogenaamde leerlingstelsel zoals dat in de gilden bestond.
 
Vervolgonderwijs leidt op tot volwaardig vakman (1945-1970)
 
Na de tweede wereldoorlog kwam het vervolgonderwijs op waar leerlingen werden opgeleid tot volwaardig vakman. Deze vakmansopleidingen werden niet door de overheid gesubsidieerd en bestonden uit particuliere opleidingen met centrale examens, de verliep daarnaast nog vaak via het gezel/meester systeem. Vanaf 1970 werd het leren van het schildersambacht onderdeel van de LTS of het VMBO. Dit waren veelal vierjarige opleidingen waarin werd opgeleid tot vakman met basiskennis. Ervaring moest daarna nog opgedaan worden. Vergeleken met voorgaande periodes in de geschiedenis en de gerichtheid van oudere systemen waren deze VMBO-opleidingen zeer algemeen. Het schildersberoep werd ondergebracht in het bredere kader van bouwen, wonen en interieur. Het VMBO had daarnaast te worstelen met een slecht imago en werd daarom vaak niet serieus genomen.
 
Vakonderwijs leidt op tot startend beroepsbeoefenaar (1970-nu)
 
In 1996 kon men worden opgeleid in het vak door het volgen van een MBO-opleiding, die meestal twee, drie of vier jaar duurde. De opleiding werd verder veralgemeniseerd en verbreed, geheel in overeenstemming met de historische trendlijn van gespecialiseerd gildenperiode tot zwaar veralgemeniseerd onderwijs vanaf 1970 tot heden. Tijdens de studie wordt voornamelijk kennis overgedragen, de praktijk doet men vooral na de studie op.
 
In de huidige situatie kan men een vierjarige MBO-opleiding volgen in restauratie en decoratie of een driejarige MBO-opleiding tot schildersgezel, waarbij studie en praktijk nog steeds, zoals sinds 1970, sterk gescheiden zijn. Leerlingen van deze opleidingen worden opgeleid als startend beroepsoefenaar, die zich via bijscholing kunnen ontwikkelen tot een volwaardig beroepsbeoefenaar.
 

Lees meer over imiteren van imitaties >>

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *