Spatplinten, sierplinten en tekens op boerderijgevels

Frits Van Ooststroom spatplinten sierplinten en tekens op boerderijgevelsBij boerderijen is de variatie in plinten groot, dat toont Frits van Ooststroom (Stad & Streek Cultuurhistorie). Met de aquarellen van Jan Verheul (1860-1948) geeft hij op het Platform Kleur in en op boerderijen, de boerderijen in hun oude toestand weer (zonder verbouwingen met nieuwe vergrote vensters, daklichten en voordeuren) naast de afbeeldingen van boerderijen in hun bestaande toestand.

Het verschil tussen spatplint /smetplint en sierplint

Een spat- of smetplint is vaak zwart, dat is best gek want opspattende vuil zie je goed op een zwarte . De zwarte wordt vaak gecombineerd met een witte sierplint erboven. In een specifiek deel van Nederland komt daar nog een oranje bies bij.[afb]

Ontwikkeling van een droge muur

Van Ooststroom toont de bouwontwikkeling van palen in de grond naar een droge ondermuur. Van Ooststroom toont een tekening (uit Jan Jans, Landelijke bouwkunst uit Oost-Nederland) van een vakwerkschoor, een houten plaat op veldkeien. Daarnaast toont Van Ooststroom de tekeningen van Lennert Vrij uit het boekje over buitenplaats landgoed Twickel. De bakstenen plint is een 19e eeuws verschijnsel.

Een opvallende ontdekking over plinten op oude schilderijen

Wat Van Ooststroom opvalt is dat op oude schilderijen geen plinten op de boerderijen zijn geschilderd, de boerderijen zijn allemaal “puinhopen”. Het was mode om bouwvallige boerderijen te schilderen, want ze bouwden in diezelfde tijd prachtige boerderijen. Plinten waren er in het echt wel, maar gek genoeg pas terug te vinden op de geschilderde boerderijen van eind 18de eeuw. Terwijl op de oude stadsgezichten van Vermeer en Jan Steen wel al gekalkte ondermuren (sierplinten) te zien zijn.

Verschillende plintoplossingen

De spatplint komt zowel rondom of alleen aan de voorkant van de voor.

Nu Van Ooststroom zich er nog meer in heeft verdiept voor deze presentatie kan hij zijn oude theorie niet meer hard maken dat een witte plint hoort bij de koele kelder, omdat het zonlicht reflecteert, en een zwarte plint voor de warmte bij het woongedeelte. Het lijkt een logisch verhaal, maar is niet vol te houden.

Hij toont diverse voorbeelden van verschillende plintoplossingen:

  • Soms zit er een verspringing van de plint in de gevel. Bijvoorbeeld als er een melkhuisje stond, voor de opslag van melkkannen bij het kelderluik.[1]
  • De gevel is tot halverwege zwart. Dit is geen plint meer te noemen, is niet allen voor spatwater, maar vermoedelijk aangebracht vanwege de zachte steen.
  • Opvallend bij de foto van collectie SHBO is een licht lijntje langs de plint. Wat is dit? Een witte bies? Een laag lood?
  • Een voorgevel met hardstenen plint en de zijgevel heeft gepleisterde plint
  • Sierplint uit het midden van de achtiende eeuw met decoraties is zeldzaam bij boerderijen, maar komen wel voor.
  • Een plastische plint rondom de kelderluiken
  • Een hoekoplossing voor de overgang van hoge plint van de voorgevel naar lage plint op zijgevel
  • Een opgedikte plint
  • Er zijn witte, zwarte en blauwe plinten. Het blauw dateert volgens Van Ooststroom van na 1850, daarvoor was die kleur (synthetisch ultramarijn) te duur. Bijzonder is de gevel (1659) van het ‘blauwe huis’ in Ouddorp. Jan Verheul schilderde in 1929 deze gevel. Na de laatste restauratie is het blauw ‘in ere’ hersteld zonder rode ontlastingsbogen, een gemiste kans vindt Van Ooststroom.

Witten, teren en biezen

Van Ooststroom toont een voorbeeld van witte vakken boven een zwarte plint met rood oranje bies in Schipluiden, Jan Verheul 1931. [afb] Een oranje uitbouwtje. Wit is proper. Oranje bies als volkskunst.

Witten is al een oude traditie, de kalklaag beschermde zachte baksteen tegen water.

Van Ooststroom verwijst naar werken van kunstenaars als Meester van de Heilige Elisabeh-panelen (1490), Joachiem Patenier (1520), Hans Memling, (ca 1490), Meindert Hobbema (ca 1665 en merkt op dat het lijkt dat in het oosten van het land de vakwerkhuizen niet gewit waren. Kleileempleister moet je goed onderhouden, want vervalt vrij snel. Door de welvaart bouwen Limburgers in de 18de eeuw in een zachte steen, die werd gewit ter verduurzaming. Boerderijen namen deze mode over, ook de vakwerkhuizen werden wit.[red. v.a. wanneer is deze mode in zwang?] Het houtwerk van vakwerkhuizen werd pas geteerd, toen vakwerk een cultuurhistorsiche waarde kreeg. [red. v.a. wanneer?]

Witten gebeurt nog steeds, voor boerderijen met zachte steen. Veelvuldig zijn dikke pakketten op de muren aangetroffen. Het pleisteren met blokverband is een 19de eeuw verschijnsel in hardsteenkleuren, pas later werd dat pleister wit.

Ander typisch lokaalgebruik om gevels te witten vind je terug in Katwijk, langs de kust. Ook op de Veluwe. Het gaat om een mode verschijnsel.

Het was de taak van de boerin de stal in het voorjaar uit te mesten en dan helemaal te witten. In de stal werd ook de kaas opgeslagen, kalken is hygiënisch. Elk jaar de gevel doen is ook een dwangmatige gewoonte. Het gebeurde tot een hoogte waar je nog net bij kon.

Voor Van Ooststroom oudst bekende voorbeeld van een zwart met witte plint, is te zien op een gezicht op Rijswijk door Jan ten Comte (toeschrijving) voor 1761 (zijn sterfdatrm), maar kan dus later te dateren zijn vanwege de aanwezigheid van de plint.

Biezen komen voor en zijn dan vaak oranje en strak. Terwijl het witten volgens Van Ooststroom juist vrij slordig ging. Hij geeft voorbeelden van witte sierplint met oranje bies op de aquarellen van Jan Verheul (Vlaardingen, Capelle aan den IJssel, Vlaardingen en Lakenveld). Ook een voorbeeld in Maassluis waar de kalk- en teerkorst is afgebikt. Er bleek een oranje bies onder te zitten. Het lijkt te gaan om een zwarte functionele plint, een witte plint op zachte steen en bies om het af te maken.[2]

Afweertekens, als IHS, het kruis en metseltekens  

“Het kruis weert de duivel van melk en zuivel.”

“Bewaar dit huis voor donder, bliksem en gedruis.”

De toepassing van het monogram IHS op boerderijgevels lijkt zich te beperken tot de omgeving Delft. Het monogram is veel gebruikt als logo van de katholieke orde van de Jesuiten. [redactie: zie wikipedia en naar www.heiligen.net over het monogram en de relatie met Delftland] In Kethel ging een pater Jezuïet op zijn racefiets langs de boerderijen en inventariseerde het verschijnsel. Hij concludeerde dat het een regionaal gebruik is, de Jezuïeten bleven in de streek na de Reformatie. Pas na de Franse tijd kon de katholiek zich weer openlijk uiten.

Van Ooststroom toont enkele voorbeelden van de toepassing van het monogram IHS op een bovenraam, een grafsteen (1680), of in de plint opgenomen, net als kruistekens.

Van Ooststroom behandelt dan nog de relatie met metseltekens in het metselwerk. Met als voorbeeld het kruis in de onderkant van de toren in Rijnsburg. Van Ooststroom vraagt zich af of het misschien wijdingskruizen zijn.

Er is een website waar die tekens vermeld worden, die proberen dat te linken aan oude runetekens, Van Ooststroom gelooft daar niet in en denkt dat het gewoon versieringen zijn.

Gemetselde tekens zijn ook terug te vinden op boerderijen.

Veel melseltekens bevinden zich vaak net boven de plint. Metseltekens zijn een gewoonte die verder is verspreid dan Delftland. Veel gebruikte vormen zijn harten, kruisen, etc. Tot slot toont hij een schilderij door Hendrick Avercamp uit 1608 waarop een zijgevel is geschilderd met een wapen op de zijgevel.

Bronnen

Van Ooststroom noemt tot slot zijn gebruikte bronnen: Piet den Hertog schreef als een van de weinige over plinten in: Piet den Hertog, Ineke de Visser en Caroline de Wit, Kleur op boerderijen. In het Groene Hart van Holland. Kinderdijk 2006; J.J. Voskuil schreef over eiwit en karnemelk en witten van gevels in: J.J. Voskuil, Van vlechtwerk tot baksteen. Geschiedenis van de wanden van het boerenhuis in Nederland. Arnhem / Zutphen 1979; Over metseltekens is de website www.bovenlichten.net (Ben Veldstra) – Middeleeuwse metseltekens geraadpleegd; En een boek over boerderijen in Zuid-Holland waar Van Ooststroom zelf aan meewerkte: C.S.T.J. Huijts, F.W. van Ooststroom, P. Ratsma en Th.A.J. Schiere, Boerderijen  in Zuid-Holland. Aquarellen van J. Verheul Dzn. Arnhem / Zutphen 1989.


[1] Vraag uit het publiek: Wat is de logica van de witte plinten die verspringen? Antwoord: Soms bij deuren wat hoger. De reden kan zijn om de deur makkelijker te vinden in het donker. Of gewoon mooimakerij? Vraag: Maar er moet toch een verklaring zijn? Antwoord: Nee nog niet gevonden.

[2] Vraag uit het publiek: Is er geen logica tussen witte en zwarte plinten? Antwoord: Nee het onderscheidt tussen wit of zwart voor woonhuis of stal is – nu ik (Van Ooststroom) beter heb gekeken niet hard te maken. Vraag door Piet Verhoef over de samenhang tussen zachte steen en het witten en zwart. Eerste lagen zullen tras zijn. Is er een samenhang tussen trasmetselwerk en het gebruik van zwart? Het is onlogisch om een dichte laag aan te brengen om water te weren alleen onder aan de gevel. Dan zou je boven moeten beginnen.

Andere opmerking uit publiek: Op Texel zie je een zwarte plint op oude – van voor 1850 daterende – boerderijen met zachte gele steentjes uit Harlingen. Deze zijn niet altijd met tras gemetseld, dat lijkt willekeurig. De gevels werden daarnaast willekeurig gewit. Na 1850 rijke  boeren, nieuwe gevels hogere ramen, harde Belgische steen. Eind 20ste eeuw in navolging Belgische landhuizen, toch gewitte gevels.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *