Niets nieuws onder de kwast

(c) Adrie Broens: oude panden een schatkamer van verf en kleurHoe was de in en op boerderijen door de eeuwen heen, en hoe is het nu en hoe gaat het in de toekomst. De visie van Adrie Broens (Contact Technische Buitendienst Medewerker Rolsma) gepresenteerd op het Platform over Kleur in en op Boerderijen (11 oktober 2013)
 

Reizen door de kleurhistorie
 
Via historisch kunnen we reizen in kleurrijkere verfhistorie. Het Nederlandse exterieur is met 90% witten, grijzen en groenen volgens Broens een beetje saai.

Broens toont een oud verfbestek uit 1838 van het stadhuis in Dordrecht. Uit oude verfbestekken en rekeningen is het kleurgebruik terug te zien. Uit de rekeningen van schilders is veel te halen hoe geschilderd werd, tot de laatste cent is terug te vinden aan welke geld werd besteed. Op oude schilderingen, zie je veel oude kleurstellingen, toch moet je dit wel met terughoudendheid bekijken, i.v.m. de vrijheid van de en verkleuring van het schilderij. Ook uit oude ansichtkaarten en foto’s is kleur te halen ook al zijn ze vaak zwart wit. Oude panden zelf zijn de grootste schatkamer van historisch informatie in en kleur. Broens geeft als voorbeeld het dikke verfpakket op een in Huusen (1685)[1]. [AFB]
 
Het bouwmateriaal en kleur

In eerste instantie werd de kleur bepaald door de structuur van de ondergrond, zoals hout, steen, pleister, leem, baksteen. Met verf imiteerde men deze materialen. De keus van de soort imitatie loopt per streek en per periode sterk uiteen. De gekozen materiaalimitatie is erg bepalend voor de kleur. Ook is de kleur afhankelijk van plaatselijke mogelijkheden.
 
Grondstoffen en kleur

De kleuren zijn afhankelijk van de beschikbare grondstoffen. In de 17de eeuw waren er best veel pigmenten beschikbaar, maar erg duur, te giftig, onstabiel etc. en niet voor alle doeleinden geschikt, in huisschilderwerk is het kleurscala relatief beperkt.[2] Ook zijn niet alle pigmenten in alle perioden voorhanden. Broens verwijst naar zijn eigen streek. Vroeger was Twente arm, het zag er anders uit.
 
Kleurcodering

Broens vertelt dat kleuren vroeger geen nummers hadden, maar namen. Zoals spaansgroen (een kopergroen), olijfgroen, engels rood, bentheimer, ossenbloed, daansmergel. Dit gaf nog geen duidelijkheid aan de kleurtoon. Pas vanaf circa 1920 kregen verfkleuren nummers.

Broens geeft als voorbeeld Bentheimer zandsteen, een steensoort met een enorme schakering tinten van grijs tot creme-achtige tint. De kleur van kozijnen waren vaak bedoeld als imitatie van Bentheimersteen kleur, voor een rijke uitstraling.
 
Interieur in de tijd

Broens toont een Twents ‘huus’, als voorbeeld van vroege boerderijen zonder verf. Door de eeuwen heen komt er meer kleur in de boerderijinterieurs… tot nu, want het is weer in trek om materiaal ongeschilderd te laten. Na de reformatie werd het er buiten niet kleurrijker op, binnen was de persoonlijke smaak vrijer en creatiever en veel trendgevoeliger dan buiten. Verder noemt hij de witte modes van rond 1566 en 1960 “de witte revolutie”. De jaren ’60 springen er met hun bruin geschilderde interieurs uit.
 
Exterieur in de tijd

Door de tijd is de kleurstelling nog al eens gewijzigd. Stel in 100 jaar werd 12x geschilderd met 12x het risico dat de kleurtoon iets verschilt, hoe authentiek is het dan nog? Of in die 100 jaar is 3x alle oude verflagen verwijderd, daardoor is er niets meer van de oude verf en kleuren terug te vinden.[3]

Voor 1850 was het exterieur bonter daarna, schetst Broens, kwam een verandering waarbij de (gepleisterde) muren steeds lichter werden net als het raamhout en kozijnen maar de deuren werden steeds donkerder. De kleur groen werd sinds circa 1900 vaak steeds donkerder toegepast. Broens blikt naar de kleurperioden van de 20ste en begin 21ste eeuw en vindt dat de kleuren van het exterieur nu in zijn algemeenheid feller zijn dan die van toen, omdat de kleuren toen niet kleurecht waren of te duur.
 
Invloed op de kleuren

De keus van kleuren werd (en wordt) beïnvloed door de woonomgeving, het karakter, de religie, de immigratie en geaardheid van de bevolking. Door mode en bouwstijlen veranderen ook de kleurstellingen.
 
Kleur per regio

Een extreem voorbeeld van kleurregulatie gebeurde in Amsterdam met de heer E. van Houten die in 1940 met de commissie stadsschoon Amsterdam een leidraad van vier kleuren vaststelde.

Broens geeft schematisch aan hoe hij ziet dat de huidige (landelijke) kleuren verschillen van Noord  naar Zuid Zuiden (frivoler, vrolijker, minder strak) en van de kust naar Oost, dit noemt hij de kleuras. Landelijke kleuren, je kunt het op een hoop gooien maar er is toch verschil.

Daarnaast toont hij enkele zeer plaatsgebonden huidige kleurstellingen: op de Zaanse schans, Rouveen/Staphorst, Ooij (bij Nijmegen) en Bronkhorst (bij Vorden) waar landeigenaren groene luiken hadden en de huurders alleen bruin.
 
Historisch lijn, historiserende lijn, traditionele lijn en fantasie lijn

Broens noemt deze verschillende insteken om met verf en kleur om te gaan: Hij merkt op dat bij het herbestemmen van de boerderij sprake is van verschuiving van ‘werkpaarden tot luxe paarden’ met een veranderde kleurenpalet… er komt meer sier bij [AFB].

Kastelen en landgoederen hebben vaak eigen kleuren en vlakverdelingen op luiken en kleurstellingen op vensters en deuren.[4]  Dit heeft betekenis, het was ter herkenning van wie hun broodheer was. Tegenwoordig is deze toepassing veelal historiserend of pure fantasie.

De toepassing van het historisch kleurenpalet is volgens Broens tegenwoordig niet meer zo zuiver.

Vroeger had bij het kleurgebruik in de stad de architect een vinger in de kleuren pap. In dorpen en platteland adviseerde de schilder “waant bie Gait-Ja en Trui wast ook zo mooi wonn”. De schilder kocht jaarlijks zo uitgekiend mogelijk zijn grondstoffen en deed het daarmee.

Een aantal steden brengen nu hun eigen historische kleurgebruik in kaart. Broens noemt het Leidse Kleurenpalet 1600/1950 en het daarbij behorende boekje Van Leidse schilders mette groote quast.[5]
 
1950 luidt het einde in van het tijdperk

Rond 1950 kwamen er synthetische verven met een grotere kleurkeus met meer kleurkracht. Door versnijdingen[6] nam de kleurkracht maar ook de kwaliteit van de verf af. Er moest gewoon geld verdient worden. Let wel, het is vaak niet zo als het lijkt. Want soms moest je versnijden om juist een goede verf te krijgen. Broens vertelt dat het verbleken van het rood en verblauwen van groene verf, al in twee jaar plaatsvindt. Hij legt uit dat het gebruikte geel niet zo kleurecht was en blauw over blijft.
 
Niets nieuws onder de kwast?

Broens eindigt door zich af te vragen of er “niets nieuws is onder de kwast en grapt: schilders zijn en waren ‘boefjes’ of is er toch wel iets nieuws… Met duurzaamheid verandert er wel degelijk iets, daar komen we niet omheen. Het tijdperk van alkydhars, verf uit aardolie, is gewoon over, we gaan naar bio-based achtige verven.[7]

 

[1] Opmerking van Mariël Polman: Bernice en ik vragen bij deze kwesties altijd om alle mogelijke kennis te betrekken, dus ook verfdwarsdoorsneden. Wij vragen altijd: “Kijk nog even verder naar wat de verflagen ons nog meer kunnen vertellen.”

[2] Meekrap: Opmerking van de eigenaresse van de mooiste boerderij van Nederland: Bij ons zit er Meekrap op de neggen. Broens: Het is een transparante kleur. Hans Vrijmoed, dacht dat het m.n. was voor textiel te kleuren. Het zit in Noord-Holland ook op onderdelen van Molens, aldus Hans van Maanen, niemand weet waarom meekrap in het interieur van molens zit. Ineke Visser vraagt waar werd het geteeld? Antwoord: In Andijk (NH) werd meekrap ook verbouwd, het zit o.a. in het interieur van het polderhuis van de Wieringerwaard.

[3] Opmerking van Piet Verhoef: hij raadt altijd aan alle verflagen te laten zitten. Hij kwam recent op een Leids hofje, daar waren ze alle verflagen onnodig aan het afhalen. Duurzame verf, maar noch duurzame monumenten noch duurzame werkzaamheden… Het zou een garantiekwestie zijn, maar “ik zeg altijd ik heb niks aan garantie, ik heb wat aan goed werk.” Laten we met zijn allen duidelijk zijn voor duurzaamheid hoef je geen verf te verwijderen.

[4] Vraag: Ik heb een vraag over de luiken is er een onderzoek gedaan? Antwoord door Judith Toebast: Ewout van der Horst is auteur van “Kijkwijzer Landgoedluiken Overijssel”, met een overzicht van luiken op historische buitenplaatsen in Overijssel. Aanvullende opmerking van Ineke de Visser: Wat je vaak ziet, dat mensen een zandloper mooi vinden maar niet de traditionele toepassing kennen. Vanuit die traditie zouden ze het logo van hun bank op de luiken moeten hebben. Rien de Visser vraagt naar het fenomeen zandloper, Volgens Broens eigenlijk een  ‘gordijntje’.

[5] Een aanvulling door Rob van Maanen: Bent u bekend met de NL stad en streekwaaier, die sluit mooi aan. Het kleurbureau heeft die de ontwikkeld. Zij willen de naamgeving op een lijn zetten en welke kleuren in welke periode beschikbaar waren.

[6] Vraag uit het publiek: Wat is versnijden? Antwoord: Mijn oude baas had vroeger een oude pot. Hij had rode pannen, heel fijn die deed hij die door de verf, producten er doordoen die de kwaliteit verminderen, net als water bij de wijn.

[7] Opmerking uit het publiek: Watergedragen is net zo chemisch, het is ook ongezond, schilders moeten met handschoenen schilderen. Mariel Polman: Voor Rijksmonumenten is er een ontheffing voor het schilderen met oplosmiddelhoudende verven. Broens: Voor lijnolieverf maakt het niet uit, dat mag je altijd gewoon binnen schilderen omdat geen heeft.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *