Kleurgebruik Groninger boerderijen en ‘bloedplamuur’

Bedstedewand in Lodewijk XVI stijl met lichte hout-imitiatieEen toelichting op de bouwhistorische en kleurhistorische ontwikkeling van de Groningse , en het fenomeen ‘bloedplamuur’ door Marcel Verkerk (bouwhistoricus Gemeente Groningen) en Gepkienes Brouwers (restauratieschilder namens platform Kleuronderzoekers Noord)[1]  Gepresenteerd op het Platform Kleur in en op Boerderijen (11 oktober 2013)

Project Bouwhistorisch Boerderijonderzoek gemeente Groningen vanaf 2004

Er waren veel open vragen over boerderijen bij de gemeente Groningen. Hoeveel boerderijen hebben we? Wat voor typen etc. Door de boerderijen van Groningen in kaart te brengen is er veel over boerderijen geleerd. Uit de eerste inventarisatie van bestaande boerderijen, heeft men een keuze gemaakt welke boerderijen in aanmerkingen kwamen voor een bouwhistorische verkenning, met een bezoek ter plaatse. Vervolgens is een selectie gemaakt waarin zo goed mogelijk de ontwikkeling van de boerderijen in de gemeente Groningen door de eeuwen heen is aangegeven, daarbij is dus niet alleen gekeken naar de oudste maar ook naar bijvoorbeeld boerderijen in de Interbellum-stijl. In totaal zijn dertig boerderijen geselecteerd. Bij bouwaanvragen wordt de eerder opgedane kennis uit het dossier gebruikt. Indien gewenst vindt er dendrochronologisch onderzoek plaats, dat is de ouderdom van het gebruikte hout bepalen.

Door dit project is er een duidelijk ontwikkelingsverschil zichtbaar geworden tussen het woon- en bedrijfsdeel. De overgang van een lage naar een hoge Friese schuur is de belangrijkste ontwikkeling in het landschap. In het interieur werd het lage gebint vervangen door een hoog gebint. Gebinten werden hierbij vaak hergebruikt. Typisch Gronings zijn de gebinten met dubbel korbeelstel van dennenhout. Op de dia een voorbeeld uit 1610. In de 2e helft van de 18de eeuw veranderd er veel, mede door de koeienpest die uitbrak. Er kwam een andere bedrijfsvoering, met nieuwe schuren, hogere opbrengsten, en woningen werden vaak geheel vernieuwd naar de heersende mode.

Kleurgebruik op Groninger Boerderijen. Ontwikkeling door de eeuwen heen

Brouwers geeft een globaal overzicht van het kleurgebruik door de tijd in boerderijen. Hij laat afbeeldingen zien van sprekende interieurafwerkingen. Daarbij somt hij de gangbare per periode op. Brouwers verwijst naar de publicatie de Versteende welvaart geschreven door Cees Stolk.

Vliegen- of kelderblauwIn zijn presentatie passeerden verschillende pigmenten en kleurbenamingen de revue, zoals “Kelderblauw”, “Vliegenblauw” [redactie: De link naar , die de veronderstellingen zou kunnen onderbouwen, bleef buiten beschouwing. Dat vraagt om een vervolg! Daarnaast is de website pigments through the ages interessant om te kennen, er is bijvoorbeeld een mooi overzicht van pigmenthistorie: http://www.webexhibits.org/pigments/intro/history.html]

Enkele opmerkingen uitgelicht:

  • De imitaties in de meeste onderzochte boerderijen zijn vooral lichte houtimitaties, zoals essen en grenen.
  • Opmerkelijk voor Groningen zijn de vele zwarte plafonds.
  • Eerste helft van de 19de eeuw zie je naturel pleisterwerk, of in donkere tinten.
  • Brouwers vertelt dat vroeger staldeuren niet geschilderd werden, dat zou pas vanaf 19de eeuw gebeuren. (redactie: het zou interessant zijn om dit te onderbouwen met verfmonsteronderzoek, dat maakt deze constatering concreter.)
  • Groninger baksteen is al heel rijkgeschakeerd gaat mooi samen met het lichtere standgroen.
  • Een vloer met zogenaamde “Voetjesvloer” (afdrukken van blotevoeten in de ) is te zien in openluchtmuseum Het Hoogeland in Warfum.
  • Art Nouveau periode met linnen en “Stro-kartonnen plafonds” zouden een typisch Gronings product zijn. Zij werden ingesausd met water, tegen stofdoorslag, afgelat en dat trok mooi glad.
  • Er is veel in de Amsterdamse school stijl in Groningen gebouwd, maar er zijn weinig voorbeelden meer over van panden die in originele kleuren zijn geschilderd. Brouwers somt de namen op van de architecten uit die periode. De Ploeg schilders inspireerde de huisschilders, en dat is in de interieurs terug te vinden, zo benoemt Brouwers sinaasappelkleur, abrikooskleur.

Bloedplamuur

Met het publiek deelt Brouwers de zoektocht via mondelinge en schriftelijke bronnen naar het fenomeen bloedplamuur.

Wat is bloedplamuur?

De vader van Brouwer, Wybe Brouwer (meestersschilder met akte te Leeuwarden) wist hem te vertellen dat als je bloedplamuur na jaren aantrof soms nog zeer fris kon ogen, d.w.z. dodekopkleurig. Soms ook diep bruin.

Over de samenstelling van dit bijzonder goedje vertelt Brouwer dat ossenbloed of koeienbloed werd aangedikt met krijt, pijpaarde, zinkwit (voor binnen) en loodwit (voor buiten) in ongeveer gelijke porties, iets meer bloed dan (gekookte) lijnolie. Het bloedplamuur stonk volgens hem “godsellendig” aangezien het eerst een dag “in de rot” moest staan. Ze gebruikten geen conserveermiddelen. Als je het nu zou maken raadt de heer Van Rijn (Linova) aan salicylzuur tegen bederf toe te voegen.

Recepten voor bloedplamuur

Voor gespecificeerde recepten wordt verwezen naar Max Doerner en Johan Stahlecker met “5 delen (goed gezeefd) runderbloed goed mengen met 1 deel gekookte lijnolie, daarna opdikken met luchtkrijtstof” en P.H. Bartels (1925): “Het van bloedvezels gezuiverde bloed wordt met zeer fijn krijt dik getemperd, waarin een scheutje gekookte lijnolie wordt toegevoegd. Op 1 kg plamuur 1 ons olie, niet meer, daar ze anders gaat rollen. Of men gebruikt 2 deelen gezuiverd bloed en 1 deel gekookte lijnolie, waar krijt wordt toegevoegd, tot ze verwerkbaar is.”

Kees Tromp (conservator/bibliotheekbewaarder Sikkens schildersmuseum en meesterschilder te Lisse) wist Brouwer te vertellen dat het bloedplamuur vroeger werd opgedikt met gemalen leisteen (maar er is geen schriftelijk recept van bekend) net zoals dat werd gedaan voor gewoon plamuur.

Koos Huizinga memoreerde dat hij als jongen van 14 bij schildersbedrijf Poelman regelmatig op de fiets naar het slachthuis aan het begin van het Damsterdiep (Slachthuisstraat) werd gestuurd voor een emmer runderbloed. Naast runderbloed zou er ook varkensbloed (bron: Akkerman uit Vlagtwedde) zijn gebruikt of  konijnenbloed omwille van zijn flexibiliteit. Noren en Zweden zouden in de 16de eeuw walvisbloed gebruiken. Brouwer brengt het in verband met het Zweedse ‘slamfärg’; op wikipedia wordt dit tegengesproken [redactie: nl.wikipedia.org/falurood]

Het toepassen van bloedplamuur

Over de toepassing vertelde de vader van Brouwer het volgende: Dorpels werden ontdaan van zachte delen met een Gronings stopmes of krabber. Een eerste opvullaag werd soms ook met gips (alleen voor binnen) en bloed aangelengd daarna twee lagen bloedplamuur. Na verwerking was het binnen twee dagen meestal droog en hard. Ook de eikenhouten wielen van de zogeheten ‘wipkarren’ werden er mee behandeld tegen het indringen van water en daarna blauw geschilderd. Bij navraag door Brouwer weet de heer Huizinga te herinneren dat bloedplamuur vaak op ijzeren deuren werd gezet omdat het hittebestendig was tegen het door de zon opgewarmde ijzer. Verder zou bloedplamuur gebruikt zijn op schepen onder de waterlijn, op staldelen, op houten gebinten en steen i.v.m. de werende, afdichtende werking tegen urine (ammoniak). En op schoorstenen tegen vochtdoorslag, aldus de heer Van Rijn die verder aan Brouwer redeneert dat het bloed wordt gebruikt omdat 1) het eiwitten bevat die het hardingsproces bevorderen, 2) het de lijmkracht van bindmiddelen zou vergroten, 3) het ijzer bevat en daardoor de overeenkomt met dodekop.

Kleuronderzoek en materiaaltechnische analyse

Mariël Polman voegt toe dat er een materiaaltechnische analyse is uitgevoerd door Luc Megens en Mathijs de Keijzer (RCE) op een rood-roze laag. Deze rood-roze afwerklaag is deels geschilderd op hergebruikte eikenhouten (spant)onderdelen uit de tweede helft van de 16e eeuw. Het vermoeden was dat het om een bloedplamuur ging. Voor de analyse zijn verfmonsters van de verflaag genomen. Deze verfmonsters zijn door Luc Megens onderzocht in het laboratorium van de RCE in Amsterdam. De resultaten tonen geen bloed in het monstermateriaal, wel een pigment… een rode oker.

Slotopmerking van Mariël Polman: Bloed is als bestanddeel geanalyseerd in de grondlaag van schilderijen.[2] Er werd vroeger veel meer met dierlijke en plantaardige producten gewerkt dan nu.

[1] Marcel Verkerk van de gemeente zou het bouwhistorische gedeelte voor zijn rekening nemen, maar hij is verhinderd. Gepkienes Brouwers neemt de gehele presentatie voor zijn rekening en leest het verhaal van de gemeente voor.

[2] Redactie: met dank aan Ineke Joosten (RCE) en Ursula Baumer (Doerner Instituut) voor de verwijzing naar twee artikelen over bloed als mogelijk (vermoedelijk bij de preparatie van de pigmenten) in vroeg 15de eeuwse Keulse paneelschilderkunst. “Die Sprache des Materials” (English version of the book will be published in 2014); the albumin was detected in red paint layers. ZKK, special Issue Altkölner Malerei (in German as well as English language).

Gerelateerd:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *