Social media: nieuwe “museum stukken”?

Publieksparticipatie of cultuurparticipatie is een thema dat niet meer weg te denken is uit het huidige kunst- en cultuurbeleid en de daaromheen gevoerde debatten. In mijn afstudeerscriptie ben ik tot de conclusie gekomen dat wanneer culturele instellingen de participatie willen zien toenemen, zij zich meer moeten richtten op sociale netwerken dan op doelgroepen. Social media is een voorbeeld van sociale netwerken waarin de Nederlandse samenleving zich thuis lijkt te voelen. Daarom kan social media een technisch hulpmiddel zijn. De culturele sector zou zich dan ook meer moeten vestigen op de al reeds bestaande social media sites.

De Raad voor Cultuur geeft in de door haar uitgegeven adviezen aan dat cultuurparticipatie vanuit alle kanten van de samenleving noodzakelijk is (advies 2007 & advies 2010). Dit om de netwerksamenleving, waar we volgens de Raad in leven, van ‘betekenis’ te voorzien en zo de ‘sociale cohesie binnen de maatschappij te bevorderen’. In het advies van maart 2010 geeft de Raad aan dat digitalisering een belangrijk ‘katalysator’ hierbij kan zijn. Digitalisering met als doel zinvolle en betekenisvolle samenwerkingen en verbanden te stimuleren en te creëren.

Social media kan een krachtig instrument zijn voor de culturele sector om het publiek, de netwerksamenleving, te laten participeren op cultureel gebied. In mijn onderzoek heb ik geprobeerd een werkzame definitie van het begrip participatie te vinden, die past binnen een sociaal-culturele context. Want wat betekent eigenlijk participatie? Participatie kan letterlijk vertaald worden als deelname, maar dit is een erg abstract begrip. Deelnemen kan op een heleboel verschillende manieren. Participatie is voor de Raad voor Cultuur een kernthema, maar in welke vorm zien zij dit dan het liefst? Is het doel van het vergroten van participatie bereikt wanneer bezoekersaantallen van culturele instellingen toenemen, of zijn zij ook tevreden wanneer mensen online deelnemen aan kunst en cultuur? Welke niveaus van cultuurparticipatie worden als wenselijk beschouwd, en bij welke mate van participatie is het doel bereikt?

Kunst- en cultuurparticipatie wordt vaak benaderd vanuit een economisch oogpunt, binnen het kader van consumentengedrag. Dit terwijl de Raad cultuurparticipatie vanuit een maatschappelijk oogpunt wil zien toenemen. Het gaat er niet zozeer om dat musea direct meer bezoekers krijgen, maar om het cultureel participeren met als doel gezamenlijk tot een betekenisvolle maatschappij te komen.
Ik zocht een betekenis van het begrip participatie waar niet alleen culturele deelname binnen de vier muren van een museum onder zou vallen, maar ook verschillende andere niveaus. Dit om aan te tonen dat ook het gebruik van social media bij kan dragen tot de bevordering van cultuurparticipatie.

Theoreticus Etiénne Wenger bestudeert participatie vanuit zijn gedachte dat participeren een menselijk leerproces is. Leren is volgens hem een natuurlijk sociaal proces, en participeren in sociale context bevordert dit leerproces. Wenger gebruikt de term participatie dan ook om sociale ervaringen van het dagelijks leven te beschrijven in de vorm van betrokkenheid in sociale gemeenschappen. Met sociale gemeenschappen, die Wenger ‘Communtities of Practice’ noemt, bedoelt hij een groep mensen die dezelfde praktijken, belangen en handelingen delen. Binnen deze sociale gemeenschappen wordt kennis bewust of onbewust gedeeld, en op die manier wordt er geleerd. Hierbij is het volgens hem wel noodzakelijk dát er geparticipeerd wordt. Volgens Wenger gaat het om wederzijdse erkenning in deze sociale gemeenschappen. Een erkenning van deelname of betrokkenheid van de betrokken partijen binnen zo’n gemeenschap, kan volgens hem gezien worden als participatie.

Wanneer wij dus tot een betekenisvolle maatschappij willen komen moet iedereen hierbinnen participeren om zo bewust en onbewust kennis te delen en te leren. Een voorwaarde is wel dat er dan sociale gemeenschappen aanwezig moeten zijn om deze participatie mogelijk te maken.
Het is dus aan culturele instellingen om ervoor te zorgen dat er voldoende netwerken (sociale gemeenschappen) zijn waarbinnen cultuurparticipatie plaats kan vinden. Dit benadrukt de Raad dan ook in het advies van 2010.

Social media is een manier om deze netwerken tot stand te brengen. Een groot deel van de Nederlandse bevolking is al lid van een social media site (Facebook, Hyves). Binnen deze social media sites vindt al volop participatie plaats. Culturele instellingen zouden zich actief moeten gaan profileren op deze netwerken en  hun culturele kennis delen. Dit met als doel de gebruikers van social media sites op cultureel gebied te laten participeren. Op die manier is er tevens een stimulans om ook op fysieke wijze deel te nemen aan kunst en cultuur.

01-10-2010

In mijn onderzoek heb ik het social media gebruik van het Amsterdams Historisch Museum als casestudie gebruikt. Zij zijn naar mijn idee vooruitstrevend wanneer het gaat om de inzet van social media met als doel online gebruikers in aanraking te brengen met cultuur. Belangrijk is dat het uitgangspunt van het Amsterdams Historisch Museum niet is om door middel van social media uiteindelijk meer fysieke bezoekers naar hun museum te krijgen, maar om zoveel mogelijk mensen in aanraking te brengen met het culturele erfgoed van Amsterdam.
Wanneer cultuurparticipatie als doel heeft de sociale cohesie binnen de maatschappij te bevorderen, maakt het naar mijn inziens niet uit of dit online of offline gebeurt. Het meest wenselijke is beide, helemaal wanneer deze twee vormen elkaar versterken.

Mijn afstudeerthesis  ‘Social media in het culturele landschap van 2010: een onderzoek naar de mogelijke bevordering van participatie door de inzet van social media’ is te lezen op Scribd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *