Vandaag staat er een stukje in de Volkskrant met bovenstaande titel. De bron hiervan is Martin Evans die onderzoek heeft gedaan naar de effecten van flitsen met niet-professionele digitale camera’s. Lees zijn artikel: Amateur Photographers in Art Galleries: Assesing the harm done by flash photographers.
In het Volkskrant artikel geven Herman Maes, hoofd conservering van het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam en de woordvoerder van het Rijksmuseum een tegengeluid. Weten we wel hoeveel schade flitsen geeft bij verschillende soorten collecties? Is flitsen een extra belasting voor objecten naast ander schadefactoten? Hoe hinderlijk is flitsen voor andere museumbezoekers?
Zelf ben ik wel benieuwd naar het praktische de Lichtlijnen (Het beperken van schade aan museal objecten: lichtlijnen) die het ICN in 2009 heeft uitgegeven. Deze lichtlijnen gaan uit van verschillende gevoeligheidsklassen van materialen en van de vraag hoeveel schade aan een voorwerp acceptabel is. Want dat licht schade veroorzaakt daar waren we al uit. Uit de inleiding van de Lichtlijnen het volgende citaat: ‘ Licht veroorzaakt schade, zelfs bij kleine hoeveelheden, alleen duurt het dan langer voodat de schade optreedt. Lichtschade is cumulatief en onomkeerbaar, ieder hoeveelheid licht die op een voorwerp valt, voegt een beetje schade toe die niet meer ongedaan gemaakt kan worden. Een onderbelicht voorwerp loopt dus schade op zonder dat de kijker er ten volste van geneit. Een overbelicht voorwerp wordt extra beschadigd zonder dat het extra waardering oplevert. Een goede museumverlichting moet er dus voor zorgen dat een voorwerp zo goed mogelijk tot zijn recht komt met zo min mogelijk schade.’
Het ICN heeft geen specifiek onderzoek gedaan naar het flitsen met digitale camera’s dus ik ben eigenlijk wel benieuwd of dit onderzoek van Martin Evans echt nieuwe inzichten biedt.

Agnes Brokerhof
1jaar geleden
Het ICN heeft in de tijd van de ouderwetse flitsers onderzocht hoe schadelijk die zijn. Dat staat ook samengevat in de Lichtlijnen:
Normale flitsapparaten geven op een afstand van 1 m een belichting die vergelijkbaar is met 12 sec tot 2 min gloeilamp belichting met 50 lux. In een trouwzaal waar per week circa 700 foto’s worden genomen op 5 m afstand van voorwerpen, levert dat per week gemiddeld 1 uur gloeilamp belichting met 50 lux extra op. De meeste flitsapparaten hebben tegenwoordig een UV-filter, dat is wel een vereiste voor gebruik in musea. Digitale camera’s kunnen bij weinig licht zonder flits nog goede foto’s nemen, dat is het beste.
Datzelfde geldt voor video-opnames. In het geval van filmopnames kan in het contract worden opgenomen dat de verlichtingssterkte niet boven een bepaalde waarde mag komen. De filmploeg kan dan (digitale) camera’s met een hoge lichtgevoeligheid meenemen, bijvoorbeeld van 1-2 lux.
Het artikel van Evans vind ik een goed onderbouwd en correct verhaal. Flitsen is vooral storend, misschien een concurrentie voor de kaartverkoop en heel misschien een copyright issue. Schadelijk? Alleen bij gevoelige toppers waar duizenden mensen per dag staan te flitsen. Maar dan worden ze toch gek van elkaars geflits.
Herman Maes
1jaar geleden
Het klopt dat in vergelijk met de verlichting van kunstwerken bij het tentoonstellen de hoeveelheid licht die een flits genereert minimaal is. Daar heb ik niets op in te brengen, maar dat is maar één aspect van de overwegingen die worden gemaakt om flitsen niet toe te staan.
In het essay van Evans wordt gefocust op kleurstoffen en verbleking en worden galeries en musea in een adem genoemd. Een bredere kijk op museale werken, ook zonder te veel te generaliseren, zou iets meer nuancering van de stelling opleveren. Veralgemenen naar ‘het’ kunstwerk en een verlichtingssterkte van 200 lux is te kort door de bocht. Bij het bepalen van de tentoonstellingomstandigheden speelt niet alleen de verbleking of verkleuring van kleurstoffen en pigmenten, maar ook de samenstelling, soort materiaal en conditie van het tentoongestelde werk. Ik zou hierbij willen verwijzen naar een werk dat ik niet in de referentielijst van Evans terugvindt: Schaeffer, Terry, “Effect of Light on Materials in Collections, Data on Photoflash and Related Sources.”, Getty Conservation Institute, Research in Conservation, 2001.
En tenslotte, ieder werk heeft een bepaalde levensverwachting waarmee in het tentoonstellingsbeleid rekening dient gehouden. Sommige werken kunnen alleen maar bij een lage lichtintensiteit worden getoond, andere zelfs helemaal niet meer omdat ze al te veel achteruit zijn gegaan. Daarvoor worden oplossingen bedacht als het maken van tentoonstellingsdrukken of facsimile. In sommige gevallen wordt de totale hoeveelheid licht waaraan een werk gedurende zijn leven wordt blootgesteld gemeten, maar dat is eerder een uitzondering. Het verbieden van flitsen is een gemakkelijke oplossing om een niet gekende, wisselende of moeilijk te controleren invloed te weren. Ik zie niet zo snel bij ieder werk een flitsentellertje met het nog toegestaan aantal flitsen hangen.