Consumentengedrag

Een flink aantal jaren geleden heb ik enkele bijeenkomsten mogen bijwonen van onderzoekers die met elkaar een informatiesysteem wilden bouwen over conservering en restauratie van hedendaagse kunst. Mij was gevraagd advies uit te brengen over de praktische realisatie van hun wens. Ik was bekend met de wereld van kunstmusea en had expertise in het opzetten en onderhouden van informatiesystemen. Er waren inmiddels grote lijnen uitgezet en modellen ontwikkeld en die moesten worden omgezet in een werkelijk functionerend systeem. Ik was blij met de uitnodiging en vond de “casus” ook erg interessant. In een van mijn eerste bijdragen schetste ik een beeld hoe naar mijn idee het doel uiteindelijk bereikt kon worden. Ik stelde een groeimodel voor waar op basis van kleinschalige experimenten de initiatiefnemers hun samenwerking als uitgangspunt konden nemen en van daaruit steeds meer mensen bij het project konden betrekken. Het leek me verstandig om bijvoorbeeld te beginnen met een bescheiden vraag- en antwoord functionaliteit. Iemand heeft een vraag over de restauratie van een bijzonder hedendaags kunstwerk en legt ‘m voor aan een groep specialisten. De vraag en alle reacties worden opgeslagen en kunnen worden hergebruikt bij vergelijkbare vragen. (Nu klinkt mijn oplossing als een enorme open deur, maar in die tijd waren bijv. discussiefora op het web nog een zeldzaamheid).

Het werd niet met zoveel woorden gezegd maar mijn suggesties vielen niet erg in de smaak. Het was in ieder geval niet in overeenstemming met het beeld van het informatiesysteem dat het merendeel voor ogen had. Het moest iets worden waar je bijvoorbeeld Joseph Beuys kon invoeren en dat je dan alle restauratieverslagen, technische rapporten, verfmonsters, bijzonderheden van gebruikte materialen, detailfoto’s, röntgenopnames etc. etc. overzichtelijk gepresenteerd kreeg.
Ik probeerde uit te leggen dat een dergelijk rijke database heel veel tijd en geld zou kosten en wellicht op den duur bereikt kon worden maar te ambitieus was als startpunt van hun samenwerking. Ik probeerde mijn betoog kracht bij te zetten door te vragen of al die documenten in hun instituut al digitaal beschikbaar waren. Dat bleek niet het geval. In veel musea waren eigenlijk alleen conditierapporten op papier en verslagen van incidentele onderzoeken voor handen. Ik wees er op dat het dus met name ging om informatie in de hoofden van mensen en stelde nogmaals voor een strategie te ontwerpen om die informatie in het gewenste systeem te krijgen.

Ik denk dat met name het veelvuldig gebruik van termen als bescheiden, kleinschalig en groeimodel te ver afstonden van het fraaie beeld dat de deelnemers zich hadden gevormd van het eindresultaat. Een dergelijke teleurstelling bij de eindgebruiker ben ik sindsdien veel vaker tegen gekomen. Het is blijkbaar lastig om in te schatten hoeveel er “onder de motorkap” van een goede website schuilgaat en hoeveel tijd en energie het heeft gekost om ‘m te bouwen. Het is zaak om bij het ontwikkelen van een IT toepassing deze hoge verwachtingen zo snel mogelijk te temperen. Dat kan naar mijn idee alleen door de eindgebruikers deel te laten uitmaken van het proces en realistisch te zijn over de eindproducten. Wat daarbij bijvoorbeeld absoluut niet helpt is de mededeling dat tegenwoordig met IT “alles kan”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *