Veranderlijk kunstwerk vraagt om nieuw begrip van conserveren

Onderzoek naar behoud en beheer van installatiekunstwerken

Afgelopen maandag ging de prestigieuze Turner Prize naar de Engelse kunstenaar Richard Wright voor een enorme compositie met bladgoud die hij speciaal voor het Londense museum Tate Britain maakte. Over enkele weken zal de wand, geheel in de intentie van de kunstenaar, worden overgeschilderd. Een actueel voorbeeld van het ‘conserveringsprobleem’ waarmee musea vandaag de dag te maken hebben. Want hoe bewaar je als museum kunst die gemaakt is van snel verouderende of vergankelijke materialen zoals plastic en voedsel? Hoe laat je film- en videokunst zien wanneer de afspeelapparatuur slijt en niet meer beschikbaar is? Maar ook: wat betekent het voor een kunstwerk dat gemaakt is voor een specifieke ruimte, aangekocht en verplaatst wordt naar een andere (museale) ruimte of zoals in het geval van Wright verdwijnt? In het Doing Artworks, waarop Vivian van Saaze 17 december a.s. promoveert aan de Universiteit Maastricht, wordt aan de hand van verschillende casestudies in Europese musea getoond hoe deze instellingen omgaan met veranderlijke kunstwerken.

Van Saaze deed onderzoek bij het Bonnefantenmuseum in Maastricht, het Van Abbemuseum in Eindhoven, het S.M.A.K. in Gent en het Museum für Moderne Kunst in Frankfurt am Main. Een van haar conclusies is dat bestaande ethische codes en conserveringstheorie onvoldoende houvast bieden bij het nemen van beslissingen over beheer en behoud. Gangbare conserveringsrichtlijnen zijn te veel gericht op het behoud van een onveranderlijk object en zijn, in de context van installatiekunst, dringend aan herdefiniëring toe. Anders dan bij schilderijen en sculptuur vragen installaties om actief handelen: ze moeten telkens opnieuw worden geïnstalleerd en snel verouderende en vergankelijke materialen worden vaak vervangen. Het kunstwerk One Candle (1988) van de Koreaanse videopionier Nam June Paik bijvoorbeeld heeft in zijn 20-jarig bestaan meerdere veranderingen ondergaan. Zo zijn de oorspronkelijk gebruikte en zichtbaar opgestelde, maar inmiddels versleten projectoren vervangen door andersoortige moderne projectoren. Wat betekent deze ingreep voor de authenticiteit van het kunstwerk en de intentie van de kunstenaar, begrippen waaraan in de traditionele conserveringspraktijk niet getornd kon worden.

Een nieuw begrip van , zo betoogt het proefschrift, zou recht moeten doen aan de veranderlijkheid van installaties en aan de participerende en interveniërende rol van conservatoren en restauratoren. Wat achter de schermen gebeurt (conserveringactiviteiten) en wat voor de schermen gepresenteerd wordt (het tentoongestelde kunstwerk) kan niet meer eenduidig van elkaar worden gescheiden. Wie de verschillende tentoonstellingsmomenten van een met elkaar vergelijkt, staat soms versteld van de grote visuele verschillen. Zowel musea als kunsthistorische verhandelingen moeten meer aandacht besteden aan deze vaak ingrijpende veranderingen. Hierin ligt volgens de onderzoeker ook een kans voor het hedendaagse kunstmuseum om los te komen van de veelgehoorde kritiek op het instituut als mausoleum of rustplaats van dode objecten en zich te profileren als een levendige plek waar kunst zich doorontwikkelt.

Dit onderzoek kwam tot stand door een samenwerking tussen het Instituut Collectie Nederland () en de Faculteit der Cultuur- en Maatschappijwetenschappen van de Universiteit Maastricht.

Aan het promotieonderzoek van is inmiddels aandacht besteed in De Volkskrant en Het Parool.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *